Zelf werd ik nieuws in oktober 1991.
Het kabinet worstelde met de WAO, de wet op de arbeidsongeschiktheid. Die werd onbeheersbaar duur.Het Binnenhof trok in die dagen gevarieerd publiek. Een van hen was een jonge WAO-er die daar, in Den Haag, een extreme hekel begon te krijgen aan het hele Haagse complex. Zijn woede was in haat veranderd.Hij had een lijstje gemaakt van mensen met wie hij wilde afrekenen. Ruud Lubbers stond er op, premier. Flip de Kam, wetenschapper, maar die was weer van de lijst afgevoerd omdat hij met zijn hoge stemmetje zo zielig klonk. Ik stond er ook op, als brenger van al het onheilsnieuws als verslaggever-presentator van het NOS-Journaal.
Hij had me een paar keer gevolgd, bleek later, en wist waar ik werkte.
Op 23 oktober 1991 stond hij klaar, in de schaduw, achter een steiger, wachtend tot ik weer naar buiten kwam.
Ik voelde beweging in het donker.
Rond half negen stak hij een 13 centimeter lang, door hem thuis nog extra scherp gemaakt duikersmes, diep in mijn rug en rende, vol adrenaline, naar de Tweede Kamer, waar hij met Lubbers zou gaan afrekenen. Daar werd hij gevangen tussen de dubbele deuren van de volksvertegenwoordiging.
*
Anderhalve maand later beschreef ik wat er gebeurde in een brief aan mijn oudste dochter Nadia, die toen bijna 4 jaar oud was. Een brief voor later.
Ik legde haar uit dat het Binnenhof vreemde kostgangers kent:
“Er kwam wel eens een man die pannendeksels in een plastic tas bij zich had, om herrie te maken. Een oude vissersvrouw die kwaad was op de hele wereld maar vooral op haar zoon. Een man die dwars door onze interviewtjes met ministers voortdurend dezelfde vraag schreeuwde: ‘Is er een impasse? De minister-president at er wel eens een ijsje. Hij liep liever die paar honderd meter van het Torentje naar de Tweede Kamer.
Het is mooi zo, die mengeling van ministers en toeristen, journalisten en Kamerleden. En die enkeling die zich wat anders gedraagt. Dat past wel in mijn beeld van hoe het in en om een volksvertegenwoordiging moet gaan. Politici moeten gewoon rondlopen, niet afgeschermd maar benaderbaar. De onzichtbare kloof tussen Den Haag en de rest van het land moet niet verdiept worden door zichtbare en onzichtbare muren, gepantserde auto’s en veiligheidsagenten.
Dat zal wel een risico inhouden. Er kan wel eens een ei worden gegooid, of een verfbommetje. Maar wat maakt dat nou uit?
Ja, zul je zeggen. Mooi gezegd. Leuk. Maar jij werd aangevallen.
Soms neemt de werkelijkheid even een absurde vorm aan.
*
Ik heb niets gezien, alleen snelle voetstappen gehoord. Het merkwaardige is dat ik alleen een harde klap op mijn schouders voelde. In een flits dacht ik aan een tasjesrover die mijn koffertje wilde hebben. Pas toen ik met mijn hand naar mijn schouder greep, voelde ik dat mes. Geen pijn.
Als je daar zit, op de grond, hoef je het waarom niet te weten. Dat komt later wel. Ik wilde niets liever dan de zekerheid dat er hulp onderwerp was. Ik wist bovendien, voelde, dat het goed zou aflopen. Geen twijfel mogelijk.
Politie en ambulance waren er snel. Net als die ene fotograaf, die meteen begon te flitsen. Ik heb hem gezegd dat ik dat niet wilde, dat ik z’n rolletje wilde hebben. Maar ik weet natuurlijk ook dat je de regie meteen kwijtraakt als je zelf nieuws bent geworden.
In het Westeinde-ziekenhuis werd alles anders, alsof de situatie onder controle was. Foto’s en scans en het nieuws dat alles meeviel. Geen vitale delen geraakt, geen blijvende schade, de paar mensen die ik graag bij me wilde hebben naast mijn bed.
Na een uur of drie werd het mes, onder narcose, uit mijn rug gehaald.
Geluk. Een kwestie van een paar millimeter was het geweest, zei de chirurg. Hij zou zelf het mes niet zo goed, zonder schade, in mijn rug hebben kunnen steken.
In die fase is de wereld niet veel groter dan je bed. Ik realiseerde me niet wat er gebeurt als je zelf nieuws wordt. Het is hoofdredacteur Gerard van der Wulp gelukt om het uit het Tienuurjournaal te houden, omdat nog niet iedereen was ingelicht. Maar later kwamen Teletekst en het Oog en de volgende dag de kranten. Eigenlijk streelde het mijn ijdelheid. Ik dacht dat ik niet meer zou zijn dan een simpel berichtje op de ANP-telex.
De foto’s van de volgende dag, die ik pas veel later heb gezien, deden me niets, omdat ik zelf wel wist dat het goed met me ging, En toch zijn ze kwetsend, voor al die goeie vrienden, familie en collega’s die met zo’n foto wakker worden. Ik zou het afschuwelijk vinden om iemand die me dierbaar is, zo afgebeeld te zien.
*
Meisjes van bijna vier zoals jij weten heel goed wat er is gebeurd.
,,Heeft die meneer wel sorry gezegd tegen papa,’’ vroeg je.
Later komen de vragen en sommige antwoorden.
Was het pech of geluk?
Hoe verder de drieëntwintigste oktober weg is, hoe meer ik ervan overtuigd ben dat het geen zin heeft lang te somberen over hoe het had kunnen aflopen. Ik kan de werkelijkheid niet veranderen, ook niet in negatieve richting.
*
Natuurlijk stel ik mezelf vragen over veiligheid.
Toevallig las ik een stukje in de NRC over de oorlog in Joegoslavië:
,,Op een dag stond er een Mercedes voor de deur. Door het gat in de radiateur was een kogel binnen gedrongen die de collega van de Suddeutsche Zeitung had getroffen Hij overleed aan interne bloedingen.
Kort daarvoor was een collega van WTN voor het leven verlamd geraakt.
(…) De weduwe van de Duitse collega kwam om iedereen te ondervragen die iets wist van de toedracht, om het te begrijpen. Maar veel te begrijpen viel er niet: gewoon een man bij een Servische barricade, die schoot op alles wat naderde’’.
Er is geen vergelijking mogelijk. Politieke journalistiek speelt zich niet af op de grens van agressiviteit en onveiligheid. De bizarre werkelijkheid van de Balkan is niet die van Den Haag.
Begrijp me goed, ik ben geen grote held. Als ik het idee had dat dit soort risico’s bij het dagelijkse werk zou horen, dan zou ik misschien wat anders gaan doen.
*
Tot zover de passages uit mijn brief aan Nadia, eind 1991. Ik wilde mezelf en de wereld laten zien dat de regie weer bij mij lag en ging snel aan het werk; na drie weken kon het weer. Ik had plezier met haar, bijvoorbeeld toen we op weg voor controle in een Haags ziekenhuis langs een aantal woningen met tralies voor het souterrain reden: ,,Daar zit jouw boef, he papa’’, zei ze met de logica van een zowat vierjarige.
Milan van anderhalf kroop over mijn bed, alsof hij niets had gemerkt van alle ontregeling en bedreiging. Dat bleek veel later in het geheel niet het geval. Ik herinner me zijn verbaasde ogen toen er een radio-interview met mij werd uitgezonden. Aan tv was hij gewend, maar nu hoorde hij mijn stem zonder mij te kunnen vinden.
Een jaar na de steekpartij werd Yael geboren, 1992. Definitieve bevestiging van onoverwinnelijkheid. Zo lang als die duurt.
*
Ik heb me vaak afgevraagd wat de aanval met mij als journalist heeft gedaan. Ik weet niet of het veel is. Ik wilde de fotograaf weg hebben, ik wilde langdurig niet de foto’s en de kranten zien. Toch realiseerde ik me tegelijkertijd dat ik nieuws was, en berichtgeving onvermijdelijk. Het zat hem meer in het gedrag van de fotograaf: zonder compassie, rondspringend van de ene plek naar de andere om het mes in m’n rug vanuit allerlei hoeken vast te leggen. Het leek, maar dat zal mijn perceptie zijn, alsof hij opgewonden was omdat hij een mooi verhaal in handen had en het geld dat hij voor de foto’s kreeg al in z’n zakken voelde branden.
Het heeft voor mij, als hoofdredacteur, wel een extra stimulans betekent om zorgvuldig om te gaan met slachtoffers en hun familieleden. We hebben het er op het Journaal met verslaggevers en cameramensen vaak over gehad: uitzoomen bij emotie, niet inzoomen. Nooit hulpverlening hinderen door onbedoeld in de weg te lopen. Nabestaanden, familieleden die niet op beeld willen, ook niet draaien. Want rauw is hij altijd, de aandacht van de media, zeker in de momenten van pijn en verlies. Nieuws is nieuws, maar veel wordt bepaald door de manier waarop je er mee omgaat.

