Select Page

Hoofdredacteur worden in tijden van crisis

Een lege zondagmiddag, in het najaar van 1996.

Rene Went en ik zijn onderweg naar Bergen. Links van Alkmaar, dicht in de duinen, tegen de zee aangekropen.

Jan Rodenburg woont er. Hij wil met ons praten.

Het NOS-Journaal zit al een maand of negen zonder hoofdredacteur, sinds Gerard van der Wulp weg is.

Of beter, Jan is als langjarig plaatsvervangend hoofdredacteur nu de fungerend baas. En lid van de selectiecommissie die een nieuwe hoofdredacteur moet zoeken.

Maar dat gaat niet zo gemakkelijk. Kort geleden nog had de Volkskrant gemeld dat een van de kandidaten, Oscar Garschagen, die voorbestemd leek om naar de top van die krant door te stoten maar kennelijk de tv wel eens wilde proberen, zich in een wolk van boosheid uit de procedure had teruggetrokken.

Het duurde hem te lang en het was te onduidelijk.

Nu is er nog maar een kandidaat over, en zit de selectiecommissie in de knel, want er valt niets meer te selecteren.

En daar wil Rodenburg het over hebben, in een gesprek dat hij natuurlijk helemaal niet mag voeren en dat dus formeel ook niet plaatsvindt.

Maar hij heeft overleg nodig en Rene Went en ik, de twee redactiechefs die samen met hem het Journaal leiden in dit interregnum, hebben belang bij de keuzes die er gemaakt moeten worden en kunnen zo’n gesprek wel in de vertrouwelijkheid van het herfstige Bergen voeren. Er staat wat op het spel, en de mogelijkheid een beetje invloed uit te oefenen en eens wat meer te horen uit de binnenkamers, is altijd meegenomen.

 

Pikant is het wel.

Tot ergens in augustus was ik een van de kandidaten om Gerard van der Wulp op te volgen. Hoofdredacteur worden was een van mijn dromen, al vanaf de eerste dag dat ik bij mijn eerste krant, de Provinciale Zeeuwse Courant ging werken.

Heb het nooit van de daken geschreeuwd maar ook nooit verzwegen. Ik had altijd wel wat ideeën over de keuzes en de koers, de richting van de journalistiek. Het noodzakelijke vleugje ijdelheid, in combinatie met de gedachte –een tikje eigenwijs, eerlijk gezegd- dat er van de leidinggevenden in mijn onmiddellijke omgeving nu niet zo heel veel waren tegen wie ik, overtuigd door de waarde van hun argumentatie, ‘ja’ zou zeggen, en ‘amen’.

Het Journaal was, in die dagen, van Rene Went en mij. Zo voelde het. We waren redactiechefs en verantwoordelijk voor de dagelijkse keuzes. En dus voor hoe Achtuur er die avond uit zou zien. We hadden vergelijkbare opvattingen over wat de NOS wel zou moeten doen, en wat niet. Kenden elkaar tamlijk goed, sinds ik in april ’88 voor de NOS in Den Haag kwam werken en Rene daar chef was, en hadden onderling niet veel woorden nodig –dat is nog steeds zo.

Het waren de jaren waarin de NOS, in kijkcijfers, weer afstand nam van RTL-Nieuws, dat als concurrent gevaarlijk dichtbij was gekomen.

De hoofdredactie, Gerard van der Wulp en Jan Rodenburg, liet veel aan ons over. Deed vooral vanuit de ‘gang’ de hogere omroeppolitiek, de budgetten, personeel.

Er lagen hectische jaren achter ons. In 1989 stond het Journaal op z’n grondvesten te trillen. Zowat 40 procent van de collega’s was verdwenen. Het bestel had voor het eerst sinds z’n bestaan concurrentie gekregen en nogal wat NOS-ers wilden wel eens in een nieuwe wereld stappen of wat meer verdienen. De vetpotten van Joop van den Ende, die TV10 zou beginnen, lonkten. De wat bescheidener etalage van RTL-Veronique trok ook de aandacht.  En om het nog wat ingewikkelder maken begon de NOS zelf met NOS-Laat op Nederland 3, en trok niet de minst-ervarenen weg.

Het was een slagveld, met ruzies (de naar de commercie trekkende verslaggevers Willem Lust en Hugo van Rhijn werden op een zondagmiddag betrapt bij het uitprinten van het adressenbestand van de NOS en op non-actief gesteld) en mislukkingen: TV10 kwam er niet, en de meesten die hadden opgezegd hadden pech. Verslaggever Job Frieszo was een uitzondering. Hij bleek een dag in dienst van TV10 toen dat avontuur mislukte; hij mocht terug, Van der Wulp mocht hem wel en vond hem goed. Presentator Harmen Siezen ook, maar die kon Achtuur wel op zijn buik schrijven, als hij dat al ooit had aangekund.

Anderen mochten wegblijven.

Het zijn de mensen met de gefrustreerde ambitie die weg zijn gegaan, zei de leiding van de NOS tegen zichzelf, opdat het wat mee zou lijken te vallen.

Maar het viel niet mee en het was hard werken, met een ingrijpend veranderde redactie die heel veel ervaring was kwijtgeraakt. En met concurrent, RTL, waar eerst lacherig over werd gedaan maar waarmee de monopolist die de NOS bijna 35 jaar was geweest, toch niet goed raad wist.

 

In Hilversum was de positie van het Journaal ook niet onomstreden. Uitzendtijdstippen wisselden bijna jaarlijks, bij ieder nieuw zendschema. Er was een half zes journaal, er was er eentje om zes, om zeven (dichtbij Achtuur, erg onhandig), om half tien, om elf, om tien weer. Het veranderde steeds. En soms was er niets, geen journaal. Althans, dat dreigde. Er was een moment waarop geen enkele omroep het Achtuurjournaal op zijn net wilde hebben. Het zou nu onvoorstelbaar zijn. De avondjournaals zijn de ankerpunten van de programmering, en er is een tijd geweest dat het Achtuurjournaal zowat in z’n eentje de toen kwakkelende netten nog enigszins overeind hield.

Gerard van der Wulp had veel van deze gevechten te leveren, inclusief die met zijn eigen NOS-directeur, Ed van Westerloo, ook eerder  hoofdredacteur geweest en ongetwijfeld behept met de gedachte dat hij nog precies wist hoe alles werkte. En niet de grootste fan van het delegatiemodel: de directeur ging persoonlijk over de uitgifte van de semafoons.

De redactie merkte weinig van wat er achter de decors gebeurde. Zij ervoer Van der Wulp in de loop van zijn tijd steeds meer als een strakke manager die weinig vrijheid, discussie of speelsheid toestond.

Dat was de andere kant van Van der Wulps pogingen het NOS-Journaal te behoeden voor nog meer onheil of bemoeizucht. Om niet kwetsbaar te zijn trok hij de teugels aan, wat naar buiten toe redelijk werkte maar aan de binnenkant op den duur knelde.

De buitenwereld loerde, de eigen wereld was niet zonder meer veilig.

 

Onze stijl was verschillend, maar na een aantal botsingen vonden we elkaar in onderling vertrouwen.

Van der Wulp was een topdown-manager. We discussieerden over de opzet van de ochtendjournaals, die we zouden gaan maken (vele jaren lang is het vier uur-journaal van ‘s middags het allereerste tv-bulletin op de dag geweest).

Ik stelde voor om verschillende werkgroepjes te vormen.

-Maar dan ben je de controle kwijt, zei Gerard.

-Valt wel mee, antwoordde ik. Je moet niet uitsluiten dat de groepjes met goeie ideeën komen, betere dan die wij hebben. En jij bent altijd nog de hoofdredacteur, dus jij maakt aan het eind de keuzes.

 

 

Van der Wulps stabiliteit begon te voelen als beperking. Met zijn goed werkende antennes (ongetwijfeld in volle intensiteit ontwikkeld toen hij woordvoerder was onder CDA-fractieleider Ruud Lubbers), voelde hij het moment naderen om weg te gaan.

Hij vond zijn uitgang door NOS-correspondent in Washington te worden, tot woede van de daar toen zittende Paul Sneijder, die naar Brussel werd verplaatst en zich het slachtoffer voelde van een geparachuteerde ex-hoofdredacteur, al was Sneijders contract daar aan het aflopen.

De redactie reageerde met zekere opluchting op Van der Wulps vertrek. Hij werd niet voldoende gezien voor wat hij had gedaan: het Journaal in een van zijn heftigste periodes, waarin voor het eerst krachtige concurrentie groeide en de omroepen hun permanente machtsspel stevig tegen de NOS inzetten, overeind houden en uiteindelijk versterken. Zoiets voltrekt zich –zeker als je er niets over zegt- grotendeels buiten het waarnemingsveld van de redactie, waar gewoon iedere dag weer bulletins worden gemaakt, en waar een hoofdredacteur vaak wordt gezien als een niet eens zo noodzakelijk kwaad. Het is toch vooral de man die nee zegt op salaris- of promotieverlangens, of af en toe de redactionele euforie over een mooi verhaal (,,die had je toch maar flink te pakken’’) komt verstoren met een zurige maar zinvolle opmerking.

Van der Wulp is een van de hoofdredacteuren die een paar jaar na zijn vertrek op de redactievloer positiever werden gewaardeerd dan tijdens zijn regeerperiode het geval was. Dat komt vooral omdat eerst de volgende hoofdredacteur het nadere reliëf aan moet komen brengen dat eerder nog ontbrak –zo slecht was het dus niet, toen.

 

 

Over de opvolging spraken we niet veel.

Van der Wulp zei eenmaal, in vertrouwen: -een van de taken die je als hoofdredacteur hebt, is een mogelijke opvolger achterlaten.

Dat was ik dus, in zijn ogen.

Het was bijzonder het te weten. En een beetje eng. Want zou de redactie wel iemand willen die onderdeel van zijn regime was geweest?

 

Van der Wulp vertrok in februari ‘96.

Weinig collega’s spraken met mij over zijn opvolging. Dat betekende: ze zien me kennelijk als kandidaat, de enige interne.

Ik besloot te durven en sprak erover met Ruurd Bierman, die Ed van Westerloo was opgevolgd als directeur van de NOS. Hij luisterde en zei dat hij mij op zijn lijstje zou zetten van mensen met wie de selectiecommissie zou praten.

Geen toezeggingen natuurlijk. Ik zei hem eerlijk, en ik meende het, dat ik me realiseerde dat je, als je solliciteert, een veel grotere kans loopt niet gekozen te worden, dan  wel. Zo is het spel. En of hij het open zou zeggen als ze mij niet wilden.

Bierman beloofde het.

Ergens in mei vroeg hij me waarom ik nog geen brief had geschreven.

Ik zei dat hij me op zijn lijstje had gezet, maar wilde best alsnog schrijven.

In juni had ik een gesprek.

Eind juni belde hij me, met een ingewikkeld verhaal zoals hij zei. Het gesprek was goed gegaan, maar de commissie had te weinig vergelijkingsmateriaal. Te weinig andere kandidaten. We gaan alsnog adverteren, zei hij.

-Als je mij niet geschikt vind, zei ik hem, zeg het dan gewoon. Dan weet ik het maar. Even goeie vrienden, misschien niet meteen, naar na een paar dagen weer wel.

-Neenee, zei Ruurd. Dat is het niet. Je blijft gewoon in procedure.

 

Eind augustus belde hij weer. De commissie wilde niet meer met me spreken. Ancien regime, te weinig ervaring.

Ik zei het niet te snappen. Hij antwoordde dat hij dat begreep en zei –ik weet niet of ik dit ooit leer goed te doen.

Ik zei dat ik me op mijn positie wilde beraden.

Hij zei dat hij dat snapte.

 

Een paar dagen was ik diep chagrijnig en van plan weg te gaan.

Maar dat gevoel ebde langzaam weg. Ik volg graag mijn eerste impuls, maar boosheid is een niet erg constructieve raadgever.

En wat is er, uiteindelijk, mooier dan bij het Journaal keuzes maken, iedere dag surfend op de golven van het nieuws, met genoeg budget om verslaggevers over de wereld te sturen?

Bovendien: de nieuw te benoemen hoofdredacteur zou best eens een ervaren, inspirerende journalist kunnen zijn, wie weet. Het was dus beter even te wachten en me pas later in de voet te schieten, zonodig.

 

En nu is het zondagmiddag in Bergen en zitten we bij Jan Rodenburg om over de ontstane situatie te praten. Er is maar een kandidaat overgebleven aan het end van een lange periode, geen keuzemogelijkheid meer. De procedure heeft irritaties opgeroepen. Publiciteit. En Rodenburg die zich heeft afgevraagd of hij dan toch niet zelf moet opstaan en hoofdredacteur moet willen worden maar daar uiteindelijk van afziet.

Rodenburg houdt de hele middag lang de vertrouwelijkheid in stand. Hij heeft het over de procedure, maar noemt uitdrukkelijk geen namen. We walsen langzaam om een onbekende grootheid heen.

Hoe erg is het dat we niet kunnen vergelijken, niet kunnen kiezen, vraagt hij zich af.

Dat hangt van de kandidaat af, antwoorden Rene Went en ik. Als het een goeie is, dan is er toch geen probleem? En als hij niet goed genoeg is, ja, dan moet het hele spel opnieuw beginnen.

Aan het eind van de middag, na de koffie en de thee, gaat Rodenburg even naar achter om wijn en bier te halen.

Zijn vrouw, de kunstenaar Noor Sternheim, komt binnen en zegt: –Ik begrijp het niet. Die Nico Haasbroek, dat is toch gewoon een goeie kandidaat?

 

 

Rodenburg laat zowat van schrik zijn flessen drank vallen.

Wat heb je nou  gedaan, roept hij met wanhoop en verwijt. Hij kwam net binnen toen de Naam van de Kandidaat zomaar plompverloren uit de lucht op tafel viel.

Maar Rene Went en ik zeggen: geen zorgen, van ons hoort niemand wat.

We kijken even naar elkaar en denken hetzelfde: Nico Haasbroek? Interessante kandidaat.

 

In de auto terug lachen we om het slot van de middag. En we zijn opgelucht, nieuwsgierig. We kennen Nico Haasbroek niet goed. Rijnmond, daar is hij nu de baas, en dat schijnt goed te gaan. VPRO-jongen, creatief. Er hangt een zweem van waardering om hem heen. En het is weer eens wat anders dan het Journaal tot nu toe gewend was. Na jaren van formeel  leiderschap mag de stropdas af. Haasbroek mag best hoofdredacteur worden, vinden Rene Went en ik, en dat maakt rustig.

Goed dat ik niet ben weggegaan, denk ik zelf.

 

Ergens in november wordt de naam van de nieuwe hoofdredacteur bekend gemaakt. De redactie reageert enthousiast.’s Avonds komt hij in de kantine kennismaken, met onder anderen Wilfred de Jong als een van zijn lijfwachten, begeleiders. Het is een vrolijke bijeenkomst en het is grappig te zien hoe sommige collega’s rondom hun nieuwe baas manoeuvreren. Ik hou me een beetje afzijdig, zit op de tak waar vandaan de katten uit de boom kijken naar de nieuwe werkelijkheid die zich vanaf vandaag langzaam maar onvermijdelijk zal onthullen.

 

 

Nico Haasbroek is een rare man en dat is een pre. Een beetje opschudding kan geen kwaad. Benieuwd wat dat gaat opleveren. Het Ultieme Instituut van de Nederlandse televisie in handen van zo’n anarchistische VPRO-jongen die, om zijn anderszijn te benadrukken, de gewoonte heeft om nieuwkomers of stagiaires bij de koffieautomaat te vragen of ze benieuwd zijn naar zijn eerste homoseksuele ervaring.

In Rotterdam werd hij op handen gedragen om zijn functionele gekkigheid. Om die te benadrukken droeg hij soms een theemuts. Op zijn hoofd.

Bij zijn afscheid eert zijn stad hem met een Doelenzaal vol theemutsdragende Rotterdammers; ze houden van hem.

Niet iedereen doet dat, overigens. Hij is ‘Berlusconi aan de Maas’ genoemd. De journalist Martin van Amerongen schreef al jaren eerder een doorwrocht, afkeurend getoonzet verhaal over Nico en zijn eeneiige tweelingbroer Jan, altijd dicht bij elkaar in de buurt. In journalistiek- en omroep-politiek Nederland is Van Amerongens term ‘Haasbroek-syndicaat’ een bekend begrip. Hij scheef:

,,Het volkomen gebrek aan twijfel van het Haasbroek-syndicaat wordt een steeds storender factor. Natuurlijk heeft hun optreden ook onmiskenbare verdienste gehad, nu men zelfs buiten de VPRO is gaan twijfelen aan de effectiviteit van de geijkte werkpatronen, waardoor ons thans bij voorbeeld via Avro’s Televizier andere berichten uit de samenleving bereiken dan vroeger. Het proces is op gang. De vraag valt nu te stellen of het voor de verdere ontwikkelingsgang van dit proces werkelijk noodzakelijk is, dat er nòg meer naar beneden wordt getrokken, dat er nòg meer met uitwerpselen wordt gemanoeuvreerd en dat er nòg meer oude mannetjes voor schut worden gezet’’.

 

Hoe dan ook, de NOS vindt het interessant om een hoofdredacteur te hebben die niet in het rijtje voorgangers past; een daad van zelfverzekerdheid om juist een ander pad te kiezen.

Op zijn eerste werkdag geef ik hem drie cadeaus.

Een bos bloemen natuurlijk. ,,Voor je vrouw die je al die avonden zal moeten missen’’. Het afscheidsreceptie-cliche.

Een theemuts, om ook in Hilversum af en toe op te zetten.

En een dinerbon voor het (Leidse) restaurant ‘M’n Broer’, met de oproep om daar met broer Jan te gaan zitten samenzweren. Dan wisten we het maar.

 

We drinken cappucino, kunnen goed met elkaar overweg, en al snel wordt duidelijk dat zowel Ruurd Bierman als Gerard van der Wulp hem hebben geadviseerd mij adjunct te maken. Haasbroek laat doorschemeren dat dat wel goed komt en houdt een paar maanden later woord.

Ondertussen werkt hij aan een plan om het Journaal te verbeteren, spreekt samen met Jan Rodenburg, Rene Went en mij in een vormingscentrum bij het Hilversumse vliegveld met iedere Journaalcollega en organiseert een eerste bijeenkomst waarop hij zijn Tien Geboden presenteert.

Ik ben er niet bij, vakantie, en mis het stempeltje dat iedereen krijgt: ‘Nieuws is Nieuws’ staat er op. Ik had hem wel mijn elfde gebod gestuurd, en hij citeerde het: ‘Gij zult intelligente televisie maken’.

 

De sfeer op het Journaal is merkbaar losser en vriendelijker.

Haasbroek komt met een paar verbeteringen. Hij haalt Lex Runderkamp bij de VPRO weg om hem een reseachredactie te laten beginnen, en introduceert twee regio-correspondenten. Het Achtuurjournaal wordt vijf minuten langer. Dat is op televisie nogal veel en biedt meer ruimte voor context en buitenlandse reportages. Er komt een echt bureau in Washington, van NOS en NOVA samen.

Het Journaal draait behoorlijk, maar niet zonder verandering. Jan Rodenburg vertrekt naar een andere NOS-afdeling –hij is snel Haasbroek-moe- en binnenlandchef Bernadette Slotboom, nog niet zo lang bij het Journaal maar gewaardeerd om haar Rotterdamse ‘niet lullen maar poetsen’-mentaliteit komt in de hoofdredactie. We hebben geen hoofdredactie waarin de leden elkaar vanuit schuttersputjes beloeren maar zijn gericht op wat we moeten doen: Journaals maken, en als het goed is de nieuwe dag weer beter dan de vorige.

Dat lukt soms, en niet altijd. Onder mijn verantwoordelijkheid doen we de vuurwerkramp in Enschede op de eerste avond niet goed genoeg –overigens vrolijk tegengewerkt door het Hilversumse complex van netcoordinatoren en zenderbeheerders die urenlang geen ruimte willen vrijmaken. Onder Bernadette Slotbooms verantwoordelijkheid excelleren we bij de verslaggeving over de cafebrand in Volendam.

Omgaan met Nico Haasbroek is, zolang we niet al te zeer binnen de strakheid van gemaakte afspraken hoeven te opereren, aantrekkelijk. De werkverdeling op dagelijkse basis functioneert. Bernadette Slotboom en ik doen de dag, Haasbroek doet de rest en speelt buiten.

 

Ik ervaar de redactie als open tegenover de nieuwe baas. De eerste stappen beloven het een en ander. Sommige initiatieven –het inzetten van studenten als kwaliteitsbewakers- of het formuleren van een ideaal percentage aan buitenland- en binnenlandberichtgeving, Den Haag of economie, wekken wat verbazing, maar er staat verandering tegenover. De redactie ziet het wel gebeuren, zonder aanvankelijke neiging tot stille sabotage –dat kunnen redacties immers heel goed als hen iets niet bevalt. Maar het voordeel van de twijfel en de afwachting ligt bij de nieuwe hoofdredacteur.

 

Toch verandert er iets, langzaamaan. Veel van Haasbroeks ideeen blijven in abstracties steken; het begint erop te lijken dat hij niet precies weet hoe een idee vertaald moet worden in een concreet besluit. En omgezet in voor de redactie hanteerbare voorbeelden en stappen.

Op een van de Journaalfeesten (een ‘Haas-party’ in dit geval, waar de aanwezigen hazentandjes en wortels krijgen uitgereikt) zingen we, op de melodie van Elton Johns ‘Candle in the Wind’, over het Plan van Nico dat maar niet concreet wil worden: ’zeg ons nu toch gauw, o hoe moet het nou…’.

 

Haasbroek lijkt het niet echt te weten, of in ieder geval te vinden dat een redactie dat zelf maar moet uitzoeken, als ze definitief volwassen wil zijn.

Tot op zekere hoogte is dat waar. Redacties kunnen veranderen in poelen met stilstaand water, inerte groepjes mensen die hun automatische rondjes draaien en zich met een zeker vilein genoegen bezighouden met de vaststelling dat deze hoofdredactie natuurlijk ook weer niet begrepen heeft hoe het op de vloer echt werkt en zo alle verandering verstikken.

Maar dat is te simpel.

De hoofdredacteur is in mijn ogen meer dan het topje op de pyramide, de man -of vrouw- die naar buiten toe geacht wordt verstandige dingen te zeggen. Hij maakt niet per se het Journaal, of de krant, van vandaag, maar vooral het Journaal van morgen en dat van over drie jaar. Hij mag, en moet soms, recalcitrant zijn om iedereen op te porren, maar die recalcitrantie moet gedragen worden door een onderliggende visie. Hij moet kunnnen uitleggen wat hij doet, en waarom, en zijn collega’s het gevoel geven dat hij precies weet welk puzzelstukje hij waar legt, zelfs als zij nog niet –en hij hopelijk wel- al een beeld hebben van hoe de complete puzzel er straks uit zal zien.

In zo’n atmosfeer ontstaan veranderingsgezindheid en vertrouwen, durf in plaats van angst voor het expriment.

Maar de dijken doorsteken en niet weten met welke kracht gods water over gods akker zal vloeien, dat is de andere kant.

 

Aan Gerard van der Wulp is het beeld verbonden van de krachtige manager, een verademing na het wankelmoedige niet-optreden van zijn maar kort opererende, aimable voorganger Peter Brusse. Het krediet dat hij bij zijn benoeming kreeg, werd langzaam minder omdat hij vooral manager bleef, geen sterk journalistiek gezag opbouwde.

Nico Haasbroeks krediet was bij zijn aantreden zo mogelijk nog groter. Maar hij kon het niet instandhouden of uitbouwen zelfs, door de redactie te tonen dat hij precies wist wat hij deed, en zo aan gezag kon verwerven dat vertrouwen uitstraalde.

 

In die omstandigheden wordt het afwijkende niet de illustatie van verbetering, maar van teleurstelling.

Haasbroek dreef een buitenlandredacteur tot wanhoop, door hem op te dragen aan het eind van het Achtuurjournaal van 5 december, gedichten te schrijven op de mensen die die dag in het nieuws waren. Een Rotterdamse bakker, kennis van Haasbroek, leverde hem de gezichten van de hoofdrolspelers aan in marsepein – enige gelijkenis heeft niemand in het journaal van die dag kunnen vaststellen.

Weerman Erwin Kroll, die toen nog een apart weerbericht rond de klok van negen presenteerde, moest even slikken toen hij de met Haasbroek bevriende acteur John Buisman in zijn uitzending kreeg, in de rol van het El Nino. Kroll moest het gematerialiseerde weersverschijnsel vragen waarom hij dat nu toch allemaal deed –het weer zo beinvloeden.

De tweejaarlijkse terugkomdagen voor de buitenlandse correspondenten werden naar Limburg verplaatst – Haasbroek wilde de correspondenten Saskia Dekkers uit Parijs en Tine van Houts van Londen wel eens ongekleed de sauna’s van Thermae 2000 injagen – het plan mislukte; als bekende Nederlanders hielden ze hun bikini’s aan.

In een periode van vijf jaar zijn het natuurlijk maar kleine gebeurtenissen. Maar als het gezag verdwijnt worden ze, zeker met terugwerkende kracht, voorbeelden van een leiderschap dat wegdreef van de kern, weg van dat waarvoor het NOS-Journaal ooit was bedoeld.

 

Wat ook niet hielp waren de interviews die Haasbroek gaf, vol kritiek op zijn eigen collega’s. Hij beschouwde zichzelf als recensent van zijn eigen mensen en organisatie, buitenstaander in vaste dienst.

De redactie raakte er weliswaar door opgeschud, maar niet op de meest productieve wijze. Ze kwam tot twee keer toe in opstand, met kwaaie koppen en boze verklaringen via de RedactieCommissie, het vertegenwoordigend orgaan. Beide keren hebben directeur Ruurd Bierman, adjunct Bernadette Slotbboom en ik hem verdedigd en gered, door uit te leggen, te masseren, te verklaren, en afspraken te maken. Zonder die verdediging had de redactie hem, zeker de tweede keer, met pek en veren uit het NOS-gebouw weggejaagd.

De sfeer was gekanteld.

Nico, zei een van de verslaggevers licht vilein, kijk jij wel eens naar het Journaal?

Hij had zojuist een onderwerp voorgesteld waar we de vorige week al veel aan hadden gedaan, niet voor het eerst.

 

Rond de eeuwwisseling begon het te kriebelen. De Gelderlander, de grootste regionale krant die bovendien met de Arnhemse Courant zou gaan fuseren, zocht een hoofdredacteur.

Ik schreef, eerst uit nieuwsgierigheid. Hoe ver zou ik komen? Maar het werd serieus en ik liet me met enthouiasme leiden door de drukinkt, die nog altijd in mijn bloed stroomt, en het feit dat mijn goeie vriend Tony van der Meulen hoofdredacteur was van het Brabants Dagblad, de buurkrant. Nijmegen bleek een mooie stad om te wonen, concludeerde ik na een eerste bezoek.

En hoe leuk de NOS ook was, hier kon ze niet tegen op. Ruurd Bierman zou, zo had ik ingeschat, zeggen dat het jammer was dat ik wegging, maar dat er soms geen andere oplossing is.

Toen het serieus werd lichtte ik Haasbroek, Bierman en Bernadette Slotboom in. Zij slikte even.

Dit gaat echt niet gebeuren, reageerde Bernadette met de haar typerende energieke stelligheid.

 

Later hoorde ik dat ze met diezelfde stelligheid de kamer van Bierman was binnengestormd en hem bij zijn denkbeeldige stropdas had gegrepen.

Maar de oplossing kwam van Nico Haasbroek.

 

Hij stelde voor mij operationeel hoofdredacteur te maken, eindverantwoordelijk voor de gehele journalistieke keuze en productie; hij zou voortaan algemeen hoofdredacteur zijn. Ruurd Bierman was het er mee eens, Bernadette Slotboom glimlachte van oor tot oor.

Met die portefeuille was de NOS voor mij aantrekkelijker dan de krant en ik bleef.

 

Later kwam wel ter sprake, tussen Bernadette Slotboom, Rene Went –inmiddels adjunct-hoofdredacteur na een nieuw verblijf in Den Haag- en ik dat het model niet ideaal was, twee kapiteins op een schip.

Maar ach, het werkte, en we konden het betrekkelijk goed met elkaar vinden. Bovendien was het niet voor de eeuwigheid: Haasbroek werd over ruim twee jaar zestig, en zou dan met pensioen gaan. Zo lang kon het model zeker wel mee. Dachten we.

 

Op 6 mei 2002 werd Pim Fortuyn vermoord. Op het Mediapark.

Vanaf iets voor half zeven gingen we rechtstreeks de zenders op.

De sfeer was die van crisis. De woede was tastbaar, binnen en buiten. Golfde over het snel afgezette Binnenhof. Brandstichting in de parkeergarage van de Tweede Kamer. Bedreigingen.

Ik belde mijn oudste dochter, toen veertien. Ze was alleen thuis en ik had een angstig voorgevoel. Iedereen –ook ik- stond met naam en toenaam in het telefoonboek.

Ik wilde dat ze bij de buren ging slapen. Ze protesteerde, maar deed het.

Pas bij mijn afscheid in de zomer van 2011, hoorde ik waarom ze niet wilde, toen ze me toesprak: ze was voor het eerst alleen thuis met haar vriendje.

 

Haasbroek was met vakantie geweest. We wisten niet zeker of hij al terug was. Af en toe vroeg iemand –waar is Nico? maar verder kwam het niet. We waren immers aan het uitzenden met alle focus die we daarbij nodig hadden.

Totdat er een gehuil op de redactie opsteeg.

Daar, was Nico. Hij was in beeld bij RTL, huilend, op straat in Rotterdam, aangedaan door de moord.

De volgende dag zei hij dat hij in Den Haag was geweest voordat RTL hem op beeld ving, maar dat de redactie hem niet nodig had. In Den Haag kon niemand zich dat herinneren.

 

We kenden hem inmiddels.

Slotboom, Went en ik vroegen Haasbroek, juist ook omdat hij de afgelopen weken vrij was geweest en onze campagne-verslaggeving voor de moord niet had gevolgd, eens een keer geen interviews te geven.

Hij beloofde het.

De sfeer in het land bleef gespannen. De kolkende woede richtte zich tegen de instituties, en zeker ook tegen het NOS-Journaal. Mede door die keer dat Haags duider Job Frieszo, onder druk van de binnenlandedactie, Fortuyns uitspraken over artikel 1 van de grondwet (het anti-discriminatie-artikel, waar Fortuyn vanaf wilde) had geillustreerd met het partijprogramma van de Centrum-Democraten van Janmaat.

Fortuyn speelde in zijn campagne met het haat-liefde thema tussen hem en de grote media, maar voor veel van zijn volgers was het geen spel en overheerste de haat.

Mensen als Ferry Mingelen en Job Frieszo, maar ook Frits Wester van RTL, kregen dag en nacht bewaking -tot in de tuin en slaapkamer. In Den Haag werd preventief het bordje ‘NOS’ van de muur van het gebouw waar de redactie zit geschroefd –ik vond het een laffe daad, maar de regie lag in die dagen bij de beveiligers en die waren niet uit op discussie.

Woede, boosheid, agressie waren tastbaar. Verslaggevers, onze vooruitgeschoven posten in de harde werkelijheid van dat moment, rapporteerden hoe ze uitgescholden en belaagd werden.

 

Een paar dagen later meldde Haasbroek dat hij toch een interview ging geven, aan het mediaprogramma Storing van Jeroen Pauw.

Het programma werd opgenomen op de vrijdagmiddag voor Pinkster. Na afloop kwam Haasbroek terug naar het Journaal.

Ik geloof, zei hij, dat ik Job Frieszo heb laten vallen.

 

Bernadette Slotboom ontplofte.

Ze sommeerde Haasbroek om dan maar snel Job Frieszo te gaan bellen, want die had in de voorbije dagen niets van zijn hoofdredacteur gehoord. Hij zou het doen.

Slotboom had het gehad. Ze wilde Haasbroek weg. Nu.

We spraken af de uitzending af te wachten. Misschien zou het immers toch meevallen?

Maar dat deed het niet. Het was nog erger.

Haasbroek had, in de gespannen atmosfeer van die dagen, niets gedaan om achter zijn mensen te gaan staan. Hij gooide Frieszo op de mestvaalt, achteloos.

Maar erger nog was –in mijn ogen- de manier waarop hij over een andere kwestie sprak.

De dag voor de verkiezingen wilde zittend premier Wim Kok, zeer uitzonderlijk, de NOS een interview geven, waarin hij waarschuwde voor een stem op Fortuyns LPF.

We overlegden er lang over. Zouden we dat doen? En hoe? Want een zittend premier, prominent PvdA-lid, zo de laatste dag laten beinvloeden?

Uiteindelijk vonden we de kritische afstand en de vorm. Groot nieuws was het bij ons, was het overal, in iedere krant en op iedere zender.

 

-Hoe gaat dat nou, had Jeroen Pauw aan Nico Haasbroek gevraagd.

-Ach, zei Haasbroek. De banden tussen de RVD en de NOS zijn nogal goed, dus als de RVD belt dan komen wij met een camera…

 

Na afloop was het duidelijk, voor Slotboom, Went en mij. Dit was zo ver weg van hoe wij onze hoofdredacteur wilden zien opereren, met name in tijden van crisis, dit was zo over weg van onze werkelijkheid, dit was de zoveelste keer, dat het nu echt voorbij was. We wilden hem niet meer, hij deed de NOS alleen maar schade.

 

Op zaterdagochtend belde Job Frieszo op. Hij meldde me dat de hele Haagse redactie het vertrouwen in zijn hoofdredacteur had opgezegd.

-Dat hoeft niet meer, antwoordde ik hem. Dat heeft de rest van de hoofdredactie inmiddels ook gedaan.

 

Voor ons was er geen weg terug. We overlegden niet meer over het waarom, maar over het hoe en besloten –niet erg aardig van ons- om Haasbroek pas op maandag –tweede Pinksterdag- te confronteren. We hadden bij een eerder conflict al meegemaakt dat hij de overgebleven tijd niet gebruikte voor inhoudelijk overleg of oplossingen, maar om met zijn advocaat te spreken over mogelijke ‘imago-schade’.

We wilden hem geen handelingsvoorsprong geven.

Op maandag belde ik hem. Dat het heel serieus was. Dat de vertrouwensvraag aan de orde was. Dat we hem morgen –dinsdag- meteen wilden spreken.

Maar dat wilde Haasbroek niet. Hij wilde de drie andere leden van zijn hoofdredactie niet zien en vroeg om een brief.

Die schreven we dinsdagochtend vroeg:

,,De afgelopen weken is ons nog helderder geworden dat je je niet geheel realiseert wat je rol is als eerste man van het journaal, in crisisachtige omstandigheden; dan moet je er zijn, te volle, met al je energie en aandacht, een golfbreker zijn, mensen steunen, standpunten formuleren. Dat heeft ontbroken en ontbreekt in dit soort situaties. We twijfelen over de vraag of je nog wel op en in de redactie leeft. We zijn nu tot de conclusie gekomen dat voor ons een grens is overschreden (…) Het is nu op, het elastiek is geknapt, de bodem is weggeerodeerd. We komen tot de conclusie dat we geen vertrouwen meer hebben in jouw functioneren als algemeen hoofdredacteur van het NOS-Journaal en dat we Ruurd vragen die conclusie met ons te delen en een passende oplossing te bedenken, recht doend aan jouw eigen inzet en positie (…) Het is niet gemakkelijk dit op te schrijven. Als persoon hebben we je hoog’’.

 

Op woensdagavond verscheen het gebruikelijke persbericht over ‘verschillen van inzicht’ en trad Nico Haasbroek met onmiddellijke ingang terug als algemeen hoofdredacteur.

Hij zou reizend correspondent worden. Ruurd Bierman had me gevraagd of ik daar mee kon instemmen. Het leek mij horen bij de bezweringsformules van dat moment en ik had geen enkel bezwaar. Op die woensdagavond was het een van de sleutels tot een onmiddellijke oplossing.

De redactie pruttelde –ze had niet zulke goeie herinneringen aan de Jaaroverzichten waarin de hoofdredacteur in beeld de leidende rol had gespeeld. Ik suggereerde er geen punt van te maken –het zou vast zo over niet komen. En dat deed het inderdaad niet.

 

Haasbroek zelf ziet zijn gedwongen vertrek als de ‘zachte coup van de bourgeoisie’ en hij bedoelt vooral mij: machtsgeil, bang voor gekkigheid en verandering en op zijn baantje uit.

Maar dan vergeet hij dat er al minstens twee mogelijkheden waren geweest waarbij ik hem, simpelweg door niets te doen, aan de redactie had kunnen voederen – ze hadden hem verscheurd. Dat Slotboom, Went en ik er vrede mee hadden dat het niet-ideale model nog een jaar of twee zou gaan functioneren, met hem als baas.

Dat de redactie inmiddels buiten haar eigen hoofdredacteur om was georganiseerd, en gewoon doordraaide, naar eigen gevoel beter dan daarvoor, dus in relatief rustige omstandigheden.

Dat hij zelf het beloftevolle momentum na zijn benoeming door de vingers heeft laten glippen, door niet te zien –of te willen zien- wat een hoofdredacteur ook moet zijn in de ogen van zijn eigen mensen –niet een gemakzuchtige recensent, maar de man die middenop de vloer met bloed, zweet en tranen richting en visie biedt –een veel betere basis ook om kritiek uit te oefenen. En bescherming als het er op aankomt. Dat enige zelftwijfel en relativering aanbevelenswaardig zijn bovendien.

Het was lastig, want Nico Haasbroek is en blijft een aardige, leuke man, en ik gun niemand de tranen die ik ook bij hem heb gezien.

Maar het was onvermijdelijk en goed dat hij terug ging naar Rotterdam.

 

Met de terugblik van nu past de ene stap per definitie logisch na de andere.

Maar eventjes, in die dagen, heb ik gedacht dat de NOS misschien wel helemaal opnieuw zou willen beginnen. Zonder zijn afgetreden hoofdredacteur, maar ook zonder de drie anderen. Zonder mij –wie breekt betaalt, immers.

Maar zo ging het niet. Vier weken later was ik de nieuwe hoofdredacteur van het NOS-Journaal. Zonder selectieprocedure, voorgedragen door de redactie en benoemd door Ruurd Bierman.

(hoofdstuk uit ‘De Littekens van de Dag – Kracht en zwakte van de journalistiek en het nieuws van morgen’ – Hans Laroes. Uitgeverij Balans, november 2012)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Schrijf je in voor de nieuwsbrief!

Sign up with your email address to receive news and updates.